Er zijn specifieke regels voor geneesmiddelen die gebruikt worden in klinisch onderzoek. Het gaat bijvoorbeeld om het invoeren, bereiden en afleveren van geneesmiddelen.
De geneesmiddelen voor onderzoek vormen een van de aandachtspunten speciaal voor geneesmiddelenonderzoek . Die aandachtspunten zijn onderdeel van de algemene Regels voor klinisch onderzoek.
Wat is een geneesmiddel voor onderzoek?
Een geneesmiddel voor onderzoek wordt internationaal aangeduid als Investigational Medicinal Product (IMP). In de EU-verordening nr. 536/2014 (Clinical Trials Regulation, CTR) wordt gesproken over een ‘geneesmiddel voor onderzoek’. In de praktijk is ‘studiemedicatie’ ook een veel gebruikt begrip.
Onder een geneesmiddel voor onderzoek verstaat de CTR:
- het geneesmiddel voor onderzoek zelf
- het placebo
- het product waarmee het vergeleken wordt
Gebruikt u geregistreerde geneesmiddelen bij wetenschappelijk onderzoek? En doet u dat op een andere manier of in een andere samenstelling dan waarvoor ze zijn geregistreerd? Ook dan zijn het geneesmiddelen voor onderzoek. Bijvoorbeeld geneesmiddelen
- voor een andere indicatie
- voor een andere doelgroep
- in een andere combinatie of toedieningsvorm
Voor meer informatie, zie hieronder bij het kopje 'Wet- en regelgeving voor onderzoek met geneesmiddelen', bij de Clinical Trials Regulation (CTR), de Wet medisch wetenschappelijk onderzoek met mensen en de Geneesmiddelenwet.
Geneesmiddel voor onderzoek uit het buitenland
Wilt u een geneesmiddel voor onderzoek invoeren vanuit een ander land dan een EU-lidstaat, Noorwegen, IJsland of Liechtenstein? Dus van buiten de Europese Economische Ruimte? Dan is een fabrikantenvergunning verplicht op grond van de Geneesmiddelenwet. U kunt een fabrikantenvergunning aanvragen bij Farmatec. Farmatec is een onderdeel van het CIBG.
Geneesmiddel voor onderzoek bereiden
Voor het bereiden van een geneesmiddel voor onderzoek is een fabrikantenvergunning vereist (zie Geneesmiddelenwet artikel 18). Er zijn enkele uitzonderingen hierop, waarbij strikte voorwaarden gelden. Die uitzonderingen staan beschreven in artikel 61, lid 5 van de verordening 536/2014 (zie Geneesmiddelenwet artikel 18, lid 7). Hierin staan een aantal processen beschreven over geneesmiddelen voor onderzoek, waarvoor géén fabrikantenvergunning meer noodzakelijk is. Het gaat hier om:
- heretiketteren en herverpakken van geneesmiddelen voor onderzoek;
- bereiden van radiofarmaceutica die als diagnostische geneesmiddelen voor onderzoek worden gebruikt;
- bereiden van geneesmiddelen die in de ziekenhuisapotheek volgens medisch recept voor een bepaalde patiënt worden bereid en van geneesmiddelen die in de ziekenhuisapotheek worden bereid en die bestemd zijn voor rechtstreekse verstrekking aan de patiënten van een ziekenhuisapotheek die deelneemt aan hetzelfde onderzoek binnen Nederland.
Hiervoor geldt de eis dat deze geneesmiddelen alleen voor gebruik zijn in ziekenhuizen, gezondheidscentra of klinieken die deelnemen aan hetzelfde onderzoek binnen Nederland. Het geneesmiddel voor onderzoek moet in Nederland blijven. Uitsluitend apothekers in ziekenhuisapotheken mogen de geneesmiddelen bereiden, heretiketteren of herverpakken.
Voor deze uitzonderingen zijn de regels uitgewerkt in de GMP-Z-richtlijnen. Hiervoor is artikel 6.9a toegevoegd aan paragraaf 5a Regeling Geneesmiddelenwet.
De IGJ ziet toe op de juiste toepassing van artikel 61, lid 5, CTR, waarbij er gekeken wordt of de uitgevoerde activiteiten gedaan zijn volgens de GMP-Z richtlijn (artikel 61, lid 6). Dit toezicht richt zich op de ziekenhuisapotheken die deze werkzaamheden uitvoeren.
Het toezicht bestaat uit:
- Elke 5 jaar een inspectie bij ziekenhuisapotheken die gebruikmaken van de uitzondering. Na afloop ontvangt de ziekenhuisapotheek een CTR-verklaring van de IGJ waarin staat welke activiteiten zijn beoordeeld.
- Elke 2 jaar een vragenlijst aan ziekenhuisapotheken om zicht te houden op activiteiten en risico’s.
- Toezicht, waarbij de IGJ op basis van signalen of vragenlijsten tussentijds inspecties kan uitvoeren.
In Nederland mogen instellingen alleen gebruikmaken van deze uitzondering als de werkzaamheden worden uitgevoerd door een ziekenhuisapotheek die zelf deelnemer is aan het onderzoek.
Daarbij geldt dat de werkzaamheden altijd moeten plaatsvinden volgens de GMP-Z richtlijn (Good Manufacturing Practice voor Ziekenhuisapotheken). Deze richtlijn vormt het kwaliteitskader voor veilig en zorgvuldig bereiden, verpakken en etiketteren van geneesmiddelen binnen de ziekenhuisfarmacie. Net als bij GMP, is de verrichter van het klinisch onderzoek eindverantwoordelijk voor de naleving van de GMP-Z.
In artikel 6.9a Regeling Geneesmiddelenwet wordt verwezen naar de GMP-Z richtlijn.
IGJ verstrekt CTR-verklaring
Tijdens een inspectie beoordeelt de IGJ of een ziekenhuisapotheek die werkzaamheden uitvoert zonder fabrikantenvergunning (op basis van artikel 61, lid 5, CTR), zich houdt aan de GMP-Z-richtlijn.
Als dit zo is krijgt de ziekenhuisapotheek een CTR-verklaring die bevestigt dat de werkzaamheden voldoen aan GMP-Z. Hierin staat ook vermeld welke activiteiten onder de uitzondering van artikel 61, lid 5, CTR zijn beoordeeld. De verrichter van het onderzoek moet de CTR-verklaring dan toevoegen bij de indiening van de studie.
In het investigational medicinal product dossier (IMPD) van het onderzoeksgeneesmiddel moet duidelijk zijn vastgelegd wie verantwoordelijk is voor het (her)verpakken, (her)etiketteren of bereiden.
Worden de activiteiten uitgevoerd onder GMP met een fabrikantenvergunning? Dan moet de instelling laten zien dat aan de GMP-eisen is voldaan (Annex I, sectie F, CTR).
Wordt gebruikgemaakt van de uitzondering van artikel 61, lid 5, CTR? Dan moet dit expliciet vermeld zijn in de begeleidende brief (cover letter). De verrichter van het onderzoek moet de CTR-verklaring toevoegen bij de indiening van de studie. Wanneer de verrichter de CTR-verklaring nog niet kan indienen, kan de beoordelende toetsingscommissie contact opnemen met de IGJ om de GMP-Z-naleving van de onderzoekslocatie te verifiëren.
Afleveren van een geneesmiddel voor onderzoek
Een fabrikant mag een geneesmiddel voor onderzoek uitsluitend afleveren aan apothekers. Die apothekers moeten hun beroep uitoefenen in een apotheek (Geneesmiddelenwet artikel 61, tweede lid). Het is dus niet mogelijk voor een fabrikant een geneesmiddel voor onderzoek rechtstreeks af te leveren aan bijvoorbeeld een arts of onderzoeker.
Voorschrijven door een verpleegkundig specialist of physician assistant
Onder bepaalde voorwaarden mag een verpleegkundig specialist (VS) of physician assistant (PA) UR-geneesmiddelen voorschrijven (artikel 36, veertiende lid van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg).
Voorwaarde is dan onder meer dat het gaat om routinematige handelingen. Zie hiervoor de Regeling zelfstandige bevoegdheid verpleegkundig specialisten en Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied physician assistant. Bij medisch-wetenschappelijk onderzoek gaat het naar de mening van de inspectie meestal niet om routinematige handelingen.
Wet- en regelgeving voor onderzoek met geneesmiddelen
Meer informatie over onder andere vervaardiging, aflevering, opslag en terhandstelling van geneesmiddelen voor onderzoek staat beschreven in:
- EU-verordening 536/2014 (Clinical Trials Regulation, CTR)
- Geneesmiddelenwet
- Besluit Geneesmiddelenwet
- Regeling Geneesmiddelenwet
- Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen
- Europese Richtlijn 2001/83/EG (betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik)
- ICH-GCP E6 R3
- The rules governing medicinal products in the European Union, Volume 10