Omgaan met mensen met dementie

Het aantal mensen met dementie neemt de komende jaren toe. Als zorgverleners oudere mensen met dementie niet begrijpen, leidt dat tot risico’s in de zorg voor de cliënten. Om deze groep mensen goed te kunnen verzorgen, leren zorgverleners anders te werken. Dat betekent dat ook de inspectie anders toezicht houdt en op een andere manier controleert.

Onbegrepen gedrag

Bij dementie gaat het vaak om ouderen die niet altijd zelf meer aangeven wat ze nodig hebben. Ook kan het gedrag veranderen van deze mensen. Daardoor komt het regelmatig voor dat mensen met dementie door hun omgeving en zorgverleners niet worden begrepen. Ze kunnen dan agressief maar ook bijvoorbeeld heel passief worden. Dat wordt onbegrepen gedrag genoemd.

Zo beoordeelt de inspectie

Zorgverleners en wetenschappers hebben afgelopen jaren veel geleerd over mensen met dementie. Ze hebben nieuwe afspraken gemaakt waaraan goede zorg voor mensen met dementie moet voldoen. De inspectie beoordeelt of zorgverleners werken volgens hun eigen afspraken.

Zorg moet voldoen aan 8 kernelementen

Natuurlijk moet de zorg voor mensen met dementie aan de standaard kwaliteit voldoen. Maar de zorg voor mensen met dementie die onbegrepen gedrag vertonen, moet ook aan onderstaande eisen voldoen. Dat zijn de zogenoemde 8 kernelementen:

  1. De zorgaanbieder legt vast hoe de medewerkers omgaan met mensen met dementie en hoe deze mensen worden verzorgd.
  2. De medewerker kent de cliënt en zijn gedrag. De medewerker kent de levensgeschiedenis, weet waar de cliënt blij van wordt en wat hem of haar helpt. De medewerker herkent signalen van het onbegrepen gedrag en reageert hierop. De medewerker maakt hierover verslagen zodat anderen hiervan kunnen leren.
  3. Familie en mantelzorgers zijn betrokken bij de aanpak van de zorg. Samen wordt besproken wat zorgverleners kunnen doen om de cliënt rustig te maken als hij of zij onrustig wordt. Ook wordt besproken in welke situaties bijvoorbeeld de keuze wordt gemaakt om toch rustgevende medicatie te geven.
  4. Een verzorgende, arts en psycholoog bepalen samen de doelen van de zorg en bij welk gedrag wordt ingegrepen. Soms wordt dit bepaald met meerdere zorgverleners, maar altijd met een verzorgende, arts en psycholoog.
  5. Het team van verzorgende, arts en psycholoog maakt een analyse van het onbegrepen gedrag. Zijn lichamelijke factoren of medicijngebruik oorzaak van het onbegrepen gedrag? Heeft de cliënt een psychische stoornis? Of komt het onbegrepen gedrag door gebeurtenissen uit het verleden of hoe met de cliënt wordt omgegaan?
  6. Om de risico’s van het onbegrepen gedrag te verkleinen, probeert de medewerker agressie of extreme onrust te voorkomen zonder medicijnen toe te dienen. Dit kan door bijvoorbeeld rustgevende activiteiten aan te bieden, het laten horen van rustgevende geluiden, door handmassage of een pluche knuffel te geven. Dit legt de medewerker vast in het zorgplan.
  7. Medicijnen die angst verminderen of mensen rustig maken, de zogenoemde psychofarmaca, worden gebruikt volgens de landelijk geldende richtlijnen.
  8. De verzorgende, arts en psycholoog bespreken de afspraken minstens twee keer per jaar. Bij deze evaluaties kijken ze altijd of het gebruik van medicijnen die angst verminderen of mensen rustig maken, de psychofarmaca, kan worden gestopt.

Toezicht door observeren

Krijgt iemand overdag activiteiten aangeboden die hij of zij zinvol of leuk vindt? Wordt iemand aangesproken op de manier die hij of zij plezierig vindt? Hoe de persoon de zorg ervaart, maakt onderdeel uit van de kwaliteit. Oudere mensen met dementie kunnen vaak moeilijk zelf aangeven wat hun wensen zijn. Hoe kan een inspecteur dan beoordelen of de zorg aansluit bij de wensen van deze cliënt?

Daarvoor is een hulpmiddel ontwikkeld waarmee een inspecteur mensen kan observeren. Deze methode heet SOFI, Short Observational Framework for Inspection. Dit hulpmiddel is ontwikkeld door de Bradford universiteit en CQC, de Engelse inspectie.

In de huiskamer observeren 

Met SOFI zitten twee inspecteurs zo’n anderhalf uur in een huiskamer. Zij observeren hoe zorgverleners reageren op een bewoner, en andersom. Worden activiteiten gestimuleerd door de medewerkers? Wordt met de bewoners gepraat, een liedje gezongen, een spelletje gedaan, gewandeld? Hoe is de stemming van bewoners, hoe betrokken zijn zij bij de omgeving?

Hierna volgt een gesprek met de medewerkers waarin situaties die de inspecteurs hebben gezien, worden besproken. Zo krijgen de inspecteurs een beter beeld hoe de individuele cliënten met dementie de zorg ervaren.

Achtergronden bij SOFI 

De inspectie  gebruikt het hulpmiddel SOFI  sinds 2014. Eerst op proef bij twintig instellingen. De belangrijkste conclusie van de bezoeken uit 2014 was dat SOFI de inspecteur goed helpt om een beeld te krijgen hoe cliënten de zorg ervaren. Vanuit dit beeld stelt de inspecteur vragen aan medewerkers en behandelaren en onderzoekt de inspecteur het zorgdossier. De bespreking van de observaties met de zorgverleners helpt hen kritisch te kijken naar het eigen handelen en zo de zorg verder te verbeteren.

In het voorjaar van 2016 besloot de inspectie om het nieuwe observatie-instrument de komende jaren in de verpleeghuissector te gaan gebruiken.