Aanbieders van gesloten jeugdhulp (JeugdzorgPlus) leveren cijfers aan bij de inspectie over de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen. Hoe vaak is een jongere vastgehouden? Hoe vaak is een telefoon ingenomen? Hoe vaak is dwang toegepast? Ook maken aanbieders jaarlijks een kwalitatieve analyse waarin zij duiden wat er achter de cijfers schuilgaat en wat de jongerenraden erover zeggen. De inspectie ging met de aanbieders in gesprek over vrijheidsbeperkende maatregelen in 2025.
Wat aanbieders van gesloten jeugdhulp zeggen
De inspectie merkt dat er meer bewustwording is over het voorkomen en afbouwen van maatregelen. Tegelijkertijd gaat dat niet vanzelf. Personeelstekort en een gebrek aan passende hulp zijn hierbij extra uitdagingen.
Meer bewustwording en aandacht voor afbouw
Aanbieders geven aan dat de cijfers helpen om inzicht te krijgen en het gesprek te voeren over (het terugdringen van) de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen. Registratie wordt dus niet alleen gezien als verantwoording, maar ook als aanleiding voor reflectie en verbetering. Aanbieders gaan ook in gesprek met jongeren over hun ervaringen met de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen, om te leren van hun feedback.
Ook geven aanbieders aan dat zij actief werken aan het afbouwen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Ze investeren in het opbouwen van een veilige en respectvolle relatie met de jongeren om hen op een positieve manier te ondersteunen in hun ontwikkeling en zo vrijheidsbeperking te voorkomen. Ook geven alle aanbieders aan dat ze de inzet van de maatregelen evalueren. Ze doen dit bijvoorbeeld in teamvergaderingen, in behandelbesprekingen, besprekingen met de gedragswetenschapper of dossieranalyses. Dat zorgt voor bewustwording en draagt bij aan het terugdringen van zulke maatregelen.
Personeelstekort en gebrek aan passende hulp maken afbouwen lastig
Aanbieders noemen personele problemen zoals een gebrek aan (vast) personeel en een groot verloop als verklaring voor hogere aantallen vrijheidsbeperkende maatregelen. Ook door de vele spoedplaatsingen is er onvoldoende zicht op wat een jongere nodig heeft, en dit werkt de inzet van vrijheidsbeperking in de hand. Het ontbreken van toekomst- en of behandelperspectief is een grote trigger bij jongeren, wat leidt tot een afname van de behandelmotivatie en een toename van incidenten en vrijheidsbeperking.
Aanbieders geven aan dat minder vrijheidsbeperking opleggen soms een hogere politie-inzet en een stijging van een onveilige beleving van medewerkers en jongeren tot gevolg heeft. Medewerkers in de jeugdhulp hebben meer kennis en handelingsvaardigheid nodig om problemen zoals stress, trauma, impulsregulatie of suïcidale signalen op tijd te herkennen en daar goed op te kunnen reageren. Daarmee wordt de noodzaak tot het inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen verder verkleind.
Wat vinden jongeren?
In de kwalitatieve analyse van de aanbieders staat wat jongerenraden vinden van de vrijheidsbeperkende maatregelen en van de analyse. Jongeren vinden het goed dat vrijheidsbeperkende maatregelen worden geregistreerd en bijgehouden, om de zorg te verbeteren. Ze zeggen ook dat wisselende gezichten (van extern ingehuurde medewerkers) bijdragen aan een onzekerder leefklimaat. Niet alle medewerkers zijn dan op de hoogte van gemaakte afspraken, waardoor er meer vrijheidsbeperking wordt ingezet.
Jongeren willen meer betrokken worden bij evaluaties
Jongeren willen graag meer betrokken worden en meewerken aan het evalueren van incidenten en de inzet van maatregelen. Zo adviseren ze de aanbieders om ook nazorg bij incidenten voor medewerkers, jongeren, ouders én groepsgenoten op te nemen in de leer- en ontwikkelpunten. Ze geven aan dat groepsgenoten bang kunnen worden dat zij zelf ook met maatregelen te maken krijgen en dat jongeren zich, na een incident, minder veilig kunnen voelen op de groep.
Verbeterpunten om vrijheidsbeperkende maatregelen te voorkomen
Jongeren benoemen verschillende verbeterpunten om vrijheidsbeperkende maatregelen te voorkomen:
- De jongeren merken niet altijd dat er eerst andere oplossingen zijn geprobeerd. Zij hebben behoefte aan meer maatwerk, eerder ingrijpen bij spanningen en meer aandacht voor preventie. De jongeren benadrukken dat goede communicatie, vaste afspraken en een vertrouwensrelatie met medewerkers kunnen helpen om maatregelen te voorkomen.
- Jongeren denken dat het helpt om een (beter) beleid te ontwikkelen om vrijheidsbeperkende maatregelen te voorkomen, waarin voldoende en praktische alternatieven staan. Welke mogelijkheden zijn er voor jongeren om even uit ‘een situatie te stappen’? Bijvoorbeeld een soos, een sportplaats of prikkelarme ruimte.
- Jongeren vertellen dat sommige medewerkers niet goed aanvoelen wat een jongere nodig heeft. Ze spreken bijvoorbeeld iemand aan midden in de groep, terwijl dit juist spanning oproept. Medewerkers kunnen meer met elkaar bespreken hoe ze het willen aanpakken op de groep en meer van elkaar leren.
- Jongeren geven aan dat ze niet altijd goed begrijpen waarom een maatregel wordt ingezet en dat zij zich niet in alle gevallen voldoende gehoord voelen. Vooral de uitleg vooraf, het betrekken van jongeren bij beslissingen en het gesprek achteraf worden door hen als belangrijk verbeterpunten genoemd. Wanneer deze uitleg ontbreekt, ervaren jongeren de maatregel soms als oneerlijk of onvoorspelbaar.