De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) sprak met 12 grote ggz-instellingen over hun suïcidepreventiebeleid. Het waren open gesprekken waarin veel informatie is uitgewisseld. Belangrijke thema’s waren interne organisatie, scholing, de rol van naasten, het patiëntendossier en de samenwerking met ketenpartners. Ook is besproken hoe de instellingen leren na een suïcide en wat zij willen verbeteren.
Wij delen het resultaat van deze gesprekken en wat dit betekent voor het toezicht in de toekomst.
Samenvatting
- De inspectie ziet en waardeert de inzet, het verantwoordelijkheidsgevoel en de ambitie van de 12 instellingen. De instellingen beseffen dat zij meer actie kunnen ondernemen om te werken volgens de richtlijn en om bij te dragen aan vermindering van het aantal suïcides.
- Instellingen gebruiken steeds vaker de CASE-methode of het narratief interview bij de diagnostiek van suïcidaliteit. De inspectie adviseert de instellingen om alle zorgmedewerkers te trainen zodat zij deze interviewtechnieken gaan gebruiken.
- De instellingen die wij spraken zien hoe belangrijk het is dat suïcidaliteit in patiëntendossiers duidelijk, actueel en herkenbaar is terug te vinden voor alle betrokken zorgverleners.
- De inspectie vindt het belangrijk dat de instellingen de naasten van een patiënt nog meer betrekken bij de behandeling van suïcidaal gedrag. En de naasten betrekken bij de evaluatie van een suïcide of suïcidepoging. De mening van de nabestaanden over de geleverde zorg kan instellingen helpen om te leren en te verbeteren. Als daardoor het onderzoek langer duurt, heeft de inspectie daarvoor alle begrip.
De instellingen die wij spraken gaan de komende jaren de zorg voor suïcidale patiënten en hun naasten verbeteren. Zij spannen zich in voor de volgende punten:
- Scholing van medewerkers en controle op deelname
- Scholing van medewerkers die werken met hoog-risico doelgroepen
- Aanwezigheid van een actueel veiligheidsplan of signaleringsplan
- Ontwikkelen van meer behandelingsmogelijkheden bij (chronische) suïcidaliteit
- Duidelijk vastleggen van gegevens over suïcidaliteit in Elektronisch Patiënten Dossier
- Naasten (nog) beter betrekken bij de behandeling van een suïcidale patiënt
- Naasten of nabestaanden (nog) beter betrekken bij de evaluatie na een suïcide of suïcidepoging
4 onderwerpen uit de gesprekken met de 12 ggz-instellingen
We beschrijven 4 onderwerpen uit onze gesprekken over suïcidepreventie: interne organisatie en naastenbeleid, scholing, behandeling suïcidaliteit en samenwerking met ketenpartners.
1. Interne organisatie rondom suïcidepreventie en naastenbeleid
Het is belangrijk dat een ggz-instelling een (meerjaren)beleidsplan heeft voor suïcidepreventie. Dit plan moet een visie en aanpak beschrijven. Bestuurders checken de uitvoering van het plan. Zij ondernemen actie als het plan niet het gewenste resultaat oplevert (de PDCA-cyclus).
Beleidsplan suïcidepreventie, visie op onderdelen
Bijna alle instellingen die wij spraken hebben een (meerjaren)beleidsplan en een suïcidepreventie commissie. Een aantal instellingen werkt binnen de teams met aandachtsfunctionarissen suïcidepreventie. Zij beantwoorden vragen en delen hun kennis met collega’s.
“Bij onze suïcidepreventiecommissie zijn de cliëntenraad, een familie vertrouwenspersoon, een patiënt vertrouwenspersoon een ervaringsdeskundige aangesloten.”
“Onze suïcidepreventie commissie heeft wel contacten met commissies van andere instellingen. Maar de uitwisseling van plannen en behaalde resultaten gebeurt weinig buiten congressen om”.
Evaluatie: onderzoek en verbeteringen
Een suïcide wordt altijd geëvalueerd door het behandelend team. Zij bespreken en beoordelen wat er is gebeurd. Daarbij kunnen ook andere zorgaanbieders aanwezig zijn, bijvoorbeeld de huisarts. Het team neemt contact op met de geneesheer-directeur als er mogelijk aanwijzingen zijn voor onvoldoende zorg. Het doel van de evaluatie is om te ontdekken wat er kan of moet verbeteren. Het resultaat van de verbeteringen wordt regelmatig besproken door de raad van bestuur met de geneesheer-directeur en de directies.
“Iedere suïcide wordt geëvalueerd door de professionals met de manager. Bij (het vermoeden) van tekortkomingen worden onafhankelijke medewerkers betrokken en wordt er geanalyseerd volgens een bepaalde methode. Het is goed om zo’n onderzoek intern te laten plaatsvinden, zonder externe ogen. Daardoor is de veiligheid en openheid voor de medewerkers groter. De geneesheer-directeur bespreekt de verbetermaatregelen en eventueel worden deze aangescherpt of aangevuld. Ook worden deze verbetermaatregelen over meerdere afdelingen ingevoerd, indien noodzakelijk”.
“Bij de nabespreking van een suïcide ligt de focus niet op een ‘fout’ van de zorgverlener. De vraag is wat kunnen we er samen van leren en wat valt er te verbeteren”.
Ondersteuning van naasten van de patiënt
Alle instellingen vinden het betrekken van naasten, zoals een partner of familie, belangrijk bij de behandeling van de patiënt met suïcidaal gedrag. Daar besteden zij actief aandacht aan. Zij bieden naasten bijeenkomsten of (digitale) programma’s aan met voorlichting over psychische klachten en omgaan met suïcidaliteit. Soms volgen de naasten deze voorlichting samen met de patiënt. Ervaringsdeskundigen kunnen daarin een rol spelen.
Eén instelling ontwikkelde een naastencursus die andere instellingen in het land nu ook gebruiken. Een andere instelling heeft een naastenapp ontwikkeld.
“Afspraak is dat naasten worden betrokken vanaf de start van de behandeling, dit is verankerd in de triage. Er is 24/7 bereikbaarheid voor patiënten en hun contactpersoon. Er is rooming-in mogelijkheid gecreëerd voor naasten op de gesloten opname afdeling. Er vindt een pilot plaats met de Coalitie nabestaandenzorg suïcide, waarin een buddysysteem wordt opgezet.”.
Na een suïcide worden de naasten steeds beter betrokken bij de evaluatie die plaatsvindt.
“Voor het onderzoek – na een suïcide- is nog geen richtlijn/format. Hoe doe je zo’n gesprek, welke vragen stel je, wat moet besproken worden? De periode van 8 weken (onderzoeksperiode) wordt als kort ervaren om de nabestaanden daarin mee te nemen”.
“Wij hebben een concreet stappenplan op ons intranet, dat als handvat dient om het gesprek met de naasten te voeren”
Nazorg voor medewerkers
Meer dan de helft van de instellingen meldt dat zij standaard nazorg organiseren voor medewerkers en medepatiënten na een suïcide. Soms wordt alleen gevraagd of iemand nazorg nodig heeft of behoefte heeft aan een buddy.
“Iedere betrokken zorgmedewerker wordt actief benaderd door een collega. Is min of meer verplicht en niet vrijwillig, je kunt er eigenlijk niet onderuit”.
2. Scholing van medewerkers
Medewerkers moeten regelmatig trainingen krijgen, zodat kennis, vaardigheden en werkwijze goed bekend zijn binnen de organisatie. De instelling moet controleren of alle medewerkers die een training nodig hebben deze trainingen ook volgen.
Alle instellingen die wij spraken organiseren scholing voor de zorgmedewerkers. Hoe en hoe vaak verschilt wel. Sommige instellingen gebruiken de training van 113 en andere instellingen ontwikkelden een eigen training, soms op basis van 113.
In de meeste gevallen moeten nieuwe medewerkers in ieder geval een basistraining volgen (online). Het is mogelijk deze training aan te vullen met een face-to-face training. Daarvoor zijn soms externe acteurs ingehuurd maar collega’s van het eigen team kunnen die ook geven. Herhaling van de training gebeurt na 2 tot 5 jaar. Naast de behandelaren krijgen woonbegeleiders of andere medewerkers soms ook een training (gatekeepertraining).
Nog niet bij elke instelling is de registratie van deelname aan de trainingen goed geregeld. Deze instellingen gaan dit verbeteren.
Een aantal instellingen organiseert speciale trainingen. Bijvoorbeeld voor het gebruik van de CASE-methode of over bepaalde doelgroepen patiënten. De professionals die met deze doelgroepen werken willen hun kennis graag uitbreiden in follow-up trainingen.
“Onze scholingsgraad is op dit moment 51%, het streven is om 80% te behalen. Er is meer vraag naar deze scholing dan we aankunnen. We hebben onvoldoende interne trainingscapaciteit”.
“Door de coronapandemie is een achterstand ontstaan in de scholing van onze medewerkers, deze wordt momenteel ingehaald. Het is onduidelijk voor de trainers of ze hiervoor vrijgesteld worden buiten de reguliere werkzaamheden om; het geven van een training duurt gemiddeld 3 uur. Trainers zijn zo gemotiveerd dat ze ook wel eens in hun vrije tijd de fysieke training suïcidepreventie geven”.
3. Behandeling van suïcidaliteit en registratie in het dossier
Bij dit onderwerp staan de patiënt en het gesprek met de patiënt centraal. Patiënt en medewerker werken samen vanaf het eerste onderzoek, tijdens de fase van diagnostiek en tijdens de behandeling. De Multidisciplinaire Richtlijn Diagnostiek en Behandeling van Suïcidaal gedrag is hiervoor leidend.
Veel instellingen vragen standaard de suïcidaliteit uit bij de intake van een patiënt. Eén instelling meldt dat een intake niet kan zijn afgerond zonder een volledige suïcidaliteitsbeoordeling in te vullen. De behandelaar stelt een structuurdiagnose op en veel behandelaars gebruiken de CASE-methodiek om de suïcidaliteit uit te vragen.
De instellingen die wij spraken vinden het belangrijk om een signaleringsplan of veiligheidsplan op te stellen met de patiënt, liefst samen met de naasten. Een enkele instelling heeft beleid voor wanneer de patiënt niet wil dat de naasten betrokken worden.
“Op een aantal van onze afdelingen is een signaleringsplan verplicht, zoals de afdelingen High Intensive Care; Medium Care, FACT en Forensische psychiatrische kliniek”
“De term risicotaxatie is niet meer passend, gezien de nieuwe inzichten en het beleid van 113. De term heeft een normerend karakter en dat is juist niet de bedoeling, omdat de uitkomst (de taxatie) nietszeggend is. De CASE-methodiek gaat uit van het in contact komen met de patiënt, waardoor het gesprek kan plaatsvinden. Een andere benaming van de term zou welkom zijn”.
“Behandeling van suïcidaliteit kan voor de zorgverleners een zoektocht zijn. Zorgverleners voelen vanuit de maatschappij en naasten geregeld een bepaalde druk om suïcidaliteit te verhelpen. Soms vraagt men zich af in hoeverre suïcidaliteit beïnvloedbaar is. Ook dwang of beperken van de suïcidale patiënt is niet altijd de oplossing, dit kan juist een averechts effect hebben. Een gewogen risicobeleid kan de patiënt en de behandelaren ruimte geven, maar kan voor naasten heel ingewikkeld zijn en hen echt raken. Behandelaren proberen het risicobeleid zo goed mogelijk vast te leggen en te bespreken met de patiënt en diens naasten. Toch komt het voor dat na een suïcide er onduidelijkheid blijkt te bestaan over gemaakte afspraken. We proberen maatwerk te leveren en verschillende interventies in te zetten en beleid vast te leggen op een wijze die past bij de patiënt”.
Registratie in het dossier
Wij hoorden verschillende uitspraken over de registratie van suïcidaliteit in het dossier van de patiënt. Bijvoorbeeld dat suïcidaliteit op verschillende plekken in het dossier is beschreven. Of dat men in het dossier verwijst naar een dagrapportage. Ook zijn de juiste formulieren of documenten niet altijd gemakkelijk te vinden in het dossier. En er bestaat onduidelijkheid wie welke formulieren moet invullen, zoals bij veranderingen die buiten kantoortijd plaatsvinden.
Een ander probleem kan zijn dat niet alle hulpverleners het patiëntendossier kunnen inzien, vanwege de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De begeleider van één afdeling kan niet altijd álles zien dat is opgeschreven door de behandelaar van een andere afdeling.
Ook hoorden we de wens om in het dossier de uitkomst van CASE-gesprekken in een tijdlijn te kunnen plaatsen. Zodat behandelaren de ontwikkeling kunnen zien van de suïcidaliteit bij een patiënt.
Maar er zijn ook positieve ervaringen met het dossier. Eén instelling vertelde dat het dossier juist ondersteunend werkt. Omdat er op verschillende momenten, bijvoorbeeld bij de intake maar ook bij de evaluatie van het behandelplan, vragen over suïcidaliteit naar voren komen. De antwoorden worden daarna via het signaleringsplan of suïcidepreventieplan in het dossier bijgehouden op een aparte en aangegeven plek.
Een andere instelling meldt dat zij bij de overgang naar een nieuwe leverancier van het dossier hadden geregeld om al deze zaken in te bouwen. Daardoor is suïcidaliteit bij hen op een vaste plek in het dossier zichtbaar.
4. Samenwerking met ketenpartners
Alle instellingen hebben contacten en afspraken met de regionale ketenpartners. Vanuit het Integraal Zorgakkoord is men bezig met deze afspraken, maar suïcidepreventie is geen apart thema in het Zorgakkoord.
De instellingen noemen voor het thema suïcidepreventie de volgende partijen als ketenpartners:
- Huisartsen
- Ziekenhuizen
- Instellingen voor beschermd wonen
- Instellingen voor verslavingszorg
- Scholen
- GGD
- Sociaal domein
De ene instelling investeert meer tijd en menskracht in samenwerking dan de andere. De financiering van deze activiteiten wordt genoemd als een remmende factor.
Zo hoorden wij dat instellingen actief deelnemen in bijvoorbeeld het project STORM, dat goede mentale gezondheid stimuleert voor alle jongeren op school.
De ggz-instellingen willen gemakkelijk toegankelijk zijn voor huisartsen. Zij willen ook zorgen dat de huisarts en behandelaar elkaar goed kunnen bereiken.
“Onze commissie suïcidepreventie geeft training aan middelbare scholen, huisartsen en deurwaarders”.
“Het is nog zoeken in de samenwerking rond patiënten met multiproblematiek. In het bijzonder de groep waarbij er psychiatrie, verslaving en LVB (licht verstandelijk beperkt) speelt en vooral wanneer sprake is van gedrag waarbij de veiligheid in de maatschappij een rol speelt. Wie aan zet is, is dan niet altijd duidelijk. Iedere samenwerkingspartner (Veiligheidshuis, GGZ, VG, Gemeente) heeft dan haar eigen focus waardoor oplossingen uit zicht blijven”.
Toezicht op suïcidepreventie in de komende jaren
De inspectie wil vervolg geven aan deze gesprekken. Het toezicht op suïcidepreventie gaat zich minder richten op het afhandelen van meldingen en meer op periodieke gesprekken met instellingen over hun suïcidepreventiebeleid.
In die gesprekken is het resultaat van de verbeteracties een terugkerend onderwerp. Net als de ontwikkeling van het suïcidepreventiebeleid van de instelling. Zo krijgt de inspectie een beter beeld van hoe het gaat met de suïcidepreventie bij de ggz-instellingen. En dragen wij actief bij aan de ontwikkeling daarvan.