Als antibiotica niet meer werken zijn zelfs eenvoudige infecties niet meer goed te behandelen. Een simpele operatie kan dan een risico zijn voor een patiënt. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft regionale zorgnetwerken Antimicrobiële resistentie (AMR) opgezet om het ontstaan van resistentie en de verspreiding van resistente ziekteverwekkers zoveel mogelijk tegen te gaan. De inspectie onderzocht hoe effectief deze zorgnetwerken zijn en zag veel mogelijkheden voor verbeteringen. Want hoe beter de zorg samenwerkt, hoe beter we in Nederland beschermd zijn.
De inspectie ziet dat teveel sectoren en kleinere zorgaanbieders niet of te weinig bij de zorgnetwerken in beeld zijn. Veel zorgaanbieders kennen die netwerken niet en weten niet wat zij doen. Terwijl zij door gebruik te maken van het netwerk meer kunnen bijdragen om resistentie en verspreiding van ziekteverwekkers binnen de regio te voorkomen.
Zorgaanbieders die de netwerken wél kennen zijn tevreden over het aanbod en de samenwerking. Toch kan dat aanbod nog beter aansluiten op de praktijk dan het nu doet.
In 2020 concludeerde de inspectie in haar toezicht op infectiepreventie en regionale zorgnetwerken antibioticaresistentie binnen 1 regio dat nog niet alle sectoren waren aangesloten bij het netwerk. Daarom voerde de inspectie opnieuw toezicht uit. De inspectie wil het belang van de regionale zorgnetwerken benadrukken en stimuleren dat alle betrokkenen in de regio samenwerken in de aanpak van AMR.
Samenwerking nodig om verspreiding resistente ziekteverwekkers te voorkomen
VWS riep in 2016 9 regionale zorgnetwerken AMR in het leven om het ontstaan van resistente ziekteverwekkers en verspreiding daarvan zo goed mogelijk tegen te gaan. Organisaties uit de langdurige, curatieve en publieke gezondheidszorg moeten regionaal samenwerken om kennis en informatie uit te wisselen om zo de zorg te verbeteren.
Alle zorgaanbieders in een regio behoren tot het netwerk. Voor alle regio’s betreft dit veel en verschillende soorten aanbieders. De regionale AMR-zorgnetwerken hebben de opdracht de samenwerking tussen alle zorgaanbieders te bevorderen.
Die regionale samenwerking is belangrijk omdat patiënten zich vaak binnen een regio verplaatsen tussen verschillende zorgaanbieders. Via de patiënten verplaatsen ook de resistente ziekteverwekkers zich. Daarnaast kunnen ook zorgverleners, als zij onvoldoende hygiënisch werken, resistente ziekteverwekkers verspreiden.
Een voorwaarde om succesvol te kunnen zijn als netwerk is dat de zorgaanbieders weten wat het probleem van resistentie inhoudt, wat de risico’s in hun regio en hun zorgsector zijn, wat ze hieraan kunnen doen, en hoe het netwerk hen hierbij kan helpen. Het informeren van zorgaanbieders hierover is een belangrijke taak van de netwerken.
Netwerken en zorgaanbieders kennen elkaar onvoldoende
Keuzes van het netwerk bepalen het bereik
Elk netwerk maakt keuzes die invloed hebben op de bekendheid van de netwerken bij de zorgaanbieders in de regio. De netwerken kunnen verschillende keuzes maken binnen de opdracht die zij hebben van VWS.
De visie van de netwerken op de risico’s en de doelstellingen verschilt. Bij de een ligt de focus op sectoren waarin het risico op het ontstaan van AMR het grootste is. Een ander netwerk richt zich op infectiepreventie in de volle breedte van het zorgveld. De verschillende netwerken zijn dus meer of minder actief in bepaalde sectoren en maken andere keuzes voor de ondersteuning per sector.
Het belangrijkste langetermijndoel is AMR op de kaart zetten onder andere door infectiepreventie meer te belichten in de opleiding van zorgverleners. De basis op orde op het gebied van infectiepreventie is namelijk het uitgangspunt van het zorgnetwerk, en onderwijs speelt daar een belangrijke rol in. (uit IGJ verslag van bezoek aan regionaal zorgnetwerk AMR)
Elk AMR-netwerk heeft een stuurgroep en een regionaal coördinatieteam (RCT) die in grote mate de koers in de regio bepalen. Zij moeten de zorgaanbieders in de regio aanjagen, stimuleren en ondersteunen bij het uitvoeren van activiteiten. De netwerkcoördinator is lid van het RCT en ondersteunt de stuurgroep en het RCT. Gezamenlijk beoordelen zij de projectvoorstellen en bepalen de (strategische) doelstellingen. Dit doen zij op basis van de kennis van de achterban en signalen uit de praktijk. Sectoren die minder goed vertegenwoordigd zijn in de stuurgroep of het RCT, hebben minder invloed op de keuzes die het netwerk maakt en zijn minder goed in beeld. De GGD’en, ziekenhuizen en verpleeghuizen zijn goed vertegenwoordigd. Het wisselt per netwerk welke andere sectoren in de stuurgroep en het RCT zitten. Van de netwerken hoorde de inspectie dat het moeilijk kan zijn om bestuurlijke vertegenwoordiging te krijgen in de stuurgroep. Dit is belangrijk voor het draagvlak op bestuurlijk niveau.
De kennis over gehandicaptenzorg is beperkt en wisselt per regio. De mate waarin de netwerken een grote gehandicaptenzorgorganisatie proactief benaderen verschilt nog meer. (medewerker gehandicaptenzorg)
Zorgaanbieders uit alle sectoren krijgen elk jaar de kans om invloed uit te oefenen op de ondersteuning vanuit het netwerk door projectvoorstellen in te dienen. Niet alle zorgaanbieders hebben de mogelijkheden om projectvoorstellen in te dienen en te leiden, bijvoorbeeld omdat zij daar de mensen of de kennis niet voor hebben. Dit is een knelpunt dat naar voren kwam in de diverse gesprekken. Zorgaanbieders ervaren dat projecten veel uit dezelfde sectoren komen en de besluitvorming hierover is voor hen onduidelijk. Dit heeft gevolgen voor de bereidheid om actief bij te dragen. Een netwerkorganisatie erkende dit knelpunt en spant zich in om zorgaanbieders te begeleiden bij het indienen van hun voorstellen.
Binnen de sectoren die de netwerken willen bereiken maken zij de keuze om met name de grote zorgaanbieders te benaderen omdat zij verwachten hiermee het meest effect te behalen. Het vraagt veel inspanning van de netwerken en kost veel tijd om kleinere organisaties en zzp’ers te bereiken. Dit speelt bijvoorbeeld bij de sectoren thuiszorg en mondzorg. En soms bij huisartsen in een regio als een samenwerkingsverband van huisartsen ontbreekt. Dit heeft gevolgen voor de samenwerking met en binnen deze sectoren binnen de regio.
We zijn geen giga organisatie. Dan is het moeilijk om bij bepaalde netwerken terecht te komen. Dan ben je als organisatie afhankelijk van de medewerkers, wijkverpleegkundigen die gaan netwerken. En dat is voor ons niet altijd goed haalbaar. (medewerker wijkverpleging)
Zorgaanbieders onbekend met netwerk
De inspectie heeft aan zorgaanbieders uit 12 sectoren gevraagd of zij bekend waren met het regionale zorgnetwerk AMR. Bijna 2/3de (62%) gaf aan het netwerk niet te kennen. De medewerkers van de GGD en het ziekenhuis waren het meest bekend met het netwerk, daarna de verpleeghuizen en gehandicaptenzorg. Het is voor de inspectie niet te achterhalen of de zorgaanbieders mogelijk wel hebben deelgenomen aan een activiteit zonder dat zij dit weten. Het onderscheid tussen wat het netwerk doet en wat betrokken zorgaanbieders námens het netwerk uitvoeren is voor deelnemers niet altijd duidelijk. Bijvoorbeeld wanneer de GGD projectleider is. De GGD voert ook activiteiten uit die raken aan de doelstelling van de regionale zorgnetwerken AMR.
Wij spreken bijvoorbeeld organisaties die langdurige zorg verlenen. Dan is het de vraag op welke plek gepraat wordt over AMR. Er zal vast ook wel afstemming over zijn met het zorgnetwerk. Maar je hebt dus 2 treinen: zorgnetwerk en GGD, en wat is voor wat? (medewerker GGD)
Het is voor zorgaanbieders niet altijd duidelijk waarvoor het netwerk is en wat zij hieraan kunnen hebben. Een huisarts wist bijvoorbeeld niet waarvoor ze het netwerk kon benaderen. Zij belt de arts-microbioloog als ze vragen heeft. Als het voor zorgaanbieders niet duidelijk is wat het probleem is, en ook niet bekend is waarvoor de netwerken zijn en hoe zij hiermee kunnen samenwerken, lukt het niet om effectief samen te werken.
We vroegen aan zorgaanbieders of ze meer betrokken willen en kunnen zijn. De meeste willen dit wel maar geven aan dat tijd, vaak door personeelskrapte, een belemmering is om deel te nemen. Ook geven geïnterviewden aan dat het bestuurlijk draagvlak soms ontbreekt. Een laagdrempelige manier om contact te hebben, bijvoorbeeld via een nieuwsbrief of persoonlijk contact, kan helpen om hen beter te informeren en betrekken.
Elk netwerk heeft een netwerkbureau. Medewerkers van het netwerkbureau, vooral de netwerk coördinator, hebben een belangrijke rol in het tot stand brengen en onderhouden van het netwerk. Enkele zorgaanbieders vertelden dat zij het contact met het netwerk steeds opnieuw moeten opbouwen door wisselingen in personeel bij het netwerkbureau. De netwerken gaven aan dat de onzekerheid over vervolgfinanciering na 4 jaar reden kan zijn voor medewerker om ander werk te zoeken.
Aanbod sluit niet altijd aan bij de praktijk
In het jaarplan dat elk netwerk opstelt, staat wat de netwerken gaan doen om het bewustzijn van het gevaar van AMR bij bepaalde sectoren te ontwikkelen en hen te ondersteunen. Een aantal vaste activiteiten zijn breed georiënteerd zoals communicatie via websites en sociale media, en jaarlijkse netwerkbijeenkomsten.
De meeste zorgaanbieders die bekend zijn met de netwerken zijn positief over het aanbod en de samenwerking. We spraken ook zorgaanbieders die de netwerken nog niet kenden en informatie hadden opgezocht naar aanleiding van de vragenlijst van de inspectie. Ook zij waren positief over wat ze lazen op websites en waren geïnteresseerd in meer informatie.
Wij ervaren het regionaal zorgnetwerk AMR als waardevol voor samenwerking en kennisdeling. Extra aandacht voor scholing en praktische implementatie zou een verdere meerwaarde bieden. (medewerker wijkverpleging)
Zorgaanbieders gaven aan dat de netwerken nog beter kunnen aansluiten bij de praktijk, met name de extramurale zorg. Ook kunnen zij meer zichtbaar zijn. Een kwart van de zorgaanbieders vond dat het aanbod niet of een beetje aansloot bij de behoefte die er is in de eigen praktijk.
Het aanbod sluit op dit moment beperkt aan bij de dagelijkse praktijk in de thuiszorg. Er is behoefte aan meer praktische ondersteuning, scholing en communicatielijnen die specifiek gericht zijn op infectiepreventie binnen extramurale zorg. Een structurele verbinding tussen het regionale netwerk en thuiszorg zou effectiviteit van infectiepreventie aanzienlijk versterken. (medewerker thuiszorg)
Belangrijk dat netwerken meer kennis en kunde delen
De netwerken wisselen nog onvoldoende informatie uit met elkaar over ontwikkelde materialen of projecten. Ook kunnen netwerken nog meer projecten landelijk en gezamenlijk uitvoeren.
Een geslaagd landelijk project is de ontwikkeling van scholing over infectiepreventie bij regionale opleidingsinstituten. Ook het organiseren van de Infectiepreventie week en de World AMR Awareness Week zijn activiteiten die netwerken met elkaar en landelijk uitvoeren. Wanneer de netwerken meer gebruik maken van elkaars kennis en kunde kunnen zij efficiënter werken en meer effect bereiken.
Zorgaanbieders zien dat de verschillende netwerken vergelijkbare activiteiten uitvoeren (‘het wiel opnieuw uitvinden’) zoals het ontwikkelen van patiëntenfolders en webinars. Zorgaanbieders maken gebruik van die verschillen en zoeken naar passend aanbod bij verschillende netwerken. Voor de grotere organisaties, die in meerdere regio’s werken, is het niet altijd duidelijk hoe zij kunnen samenwerken in de verschillende netwerken. Zij kiezen bijvoorbeeld voor samenwerking binnen 1 regionaal netwerk.
Ik zoek vaak informatie bij andere netwerken die beter bij onze behoefte/wensen aansluit. Het lijkt dat er geen samenhang is tussen de regionale netwerken. Het ene netwerk is actiever dan de andere. (medewerker verpleeghuiszorg/wijkverpleging/revalidatiezorg)
Conclusie en aanbevelingen
Resistentie van ziekteverwekkers neemt toe en leidt tot risico’s voor patiënten, hogere zorgkosten en meer druk op de zorg. De netwerken moeten de samenwerking tussen zorgaanbieders en elkaar verbeteren om meer effect te bereiken in de aanpak van AMR.
De inspectie ziet dat bepaalde sectoren en kleinere zorgaanbieders niet of te weinig bij hen in beeld zijn. Veel zorgaanbieders kennen de netwerken niet en weten niet wat zij doen. Terwijl zij door gebruik te maken van het netwerk meer kunnen bijdragen om resistentie en verspreiding van ziekteverwekkers binnen de regio te voorkomen.
Zorgaanbieders die de netwerken wél kennen zijn tevreden over het aanbod en de samenwerking. Toch kan dat aanbod nog beter aansluiten op de praktijk dan het nu doet.
De inspectie heeft een aantal aanbevelingen om de samenwerking in de aanpak van AMR te verbeteren:
AMR-netwerken
- De netwerken kunnen eenduidiger en proactiever communiceren met het zorgveld over wat zij doen en wat zij kunnen betekenen voor de zorgaanbieders. En onderzoeken welk aanbod en welke praktische ondersteuning past bij een sector. Een uniformer aanbod en beleid van de netwerken kan de herkenbaarheid, efficiëntie en het effect van de netwerken verbeteren.
Zorgaanbieders
- We vragen de zorgaanbieders om meer samen te werken op het gebied van AMR. Zij kunnen meer gebruik maken van de ondersteuning die het AMR-netwerk biedt in hun regio. En zij kunnen zelf actief bijdragen aan het netwerk.
Ministerie van VWS
- We vragen het Ministerie van VWS als opdrachtgever en verstrekker van de vierjaarlijkse subsidie om met de netwerken in gesprek te gaan of de opdracht voldoende concreet is en/of verbreed moet worden en om daarop te sturen. Een meer structurele financiering kan bijdragen aan meer continuïteit onder personeel van de netwerkbureaus en neemt drempels weg voor langjarige projecten.
De inspectie heeft in 2025 bij de 9 netwerken de strategische plannen, jaarplannen en risicoprofielen opgevraagd. Daarna heeft zij 4 netwerken bezocht en gesproken met de netwerk coördinator en vertegenwoordigers van de stuurgroep en het regionaal coördinatieteam (RCT). Aan zorgaanbieders in 12 verschillende sectoren heeft de inspectie een korte vragenlijst toegestuurd om inzicht te krijgen in de mate waarin ze bekend zijn met het netwerk en actief betrokken zijn. Ook wilde de inspectie weten of ze tevreden waren over de samenwerking en ondersteuning, en of zij hierin nog verbeteringen zagen. Een aantal zorgaanbieders die de vragenlijst hebben ingevuld heeft de inspectie ook geïnterviewd.