weblogberichten

’Ik wil verschil maken in de jeugdhulpverlening’

Vijftien jaar geleden begon ik in de jeugdhulp, amper een paar jaar ouder dan de jongens bij mij op de groep. Ik was groepsleidster op een orthopedagogisch behandelcentrum waar jongens met een licht verstandelijke beperking, complex gedrag en een kinderbeschermingsmaatregel woonden. De jongens hadden in tegenstelling tot ikzelf al heel wat meegemaakt.

Kariene Ensink
Kariene Ensink, senior inspecteur jeugd

Ze waren beschadigd. Ik zag veel jongens direct na hun achttiende verjaardag vertrekken. Niet omdat niemand ze wilde helpen, maar omdat ze de instellingen en bemoeienis zat waren en (net als veel andere achttienjarigen) dachten dat ze het vanaf dat moment prima alleen konden. Met veel van deze jongens zonder ogenschijnlijke hulpvraag en zonder stevig en betrokken netwerk ging het na hun achttiende snel bergafwaarts.

Als mensen mij vroegen of ik niet moedeloos werd van de sombere vooruitzichten voor deze jongens zei ik vol overtuiging dat ik wist dat mijn invloed wellicht gering was, maar dat het mijn streven was om er voor de jongens te zijn en ze een gevoel van ‘thuis’ te geven zolang ze bij ons op de groep verbleven.

Ik hoop oprecht dat ik een lichtpuntje in zijn korte en moeilijke leven ben geweest

Ik herinner mij een avond dat Ricardo vroeg of het wel goed met mij ging want hij vond mij helemaal niet gezellig. Het bleek dat ik nog geen kaarsjes had aangestoken , één van mijn gewoontes tijdens de late diensten. Ik vond het een enorm compliment. Ricardo leeft niet meer, zijn problemen waren te groot, zijn leven te zwaar, maar ik hoop oprecht dat ik een lichtpuntje in zijn korte en moeilijke leven ben geweest.

Later, toen ik als gedragsdeskundige bij de kinderbescherming werkte, werd mij weer geregeld gevraagd of ik wel tegen al die ellende kon. Ook nu was mijn drijfveer de hoop dat ik verschil zou kunnen maken.

Ik denk nog vaak aan die jonge moeder die besefte dat haar problemen te groot waren. Ze gaf aan dat het niet goed ging en dat we haar  dochter van een paar maanden oud in veiligheid moesten brengen. Maar samen met haar dochter naar een goede plek, dat kon ze niet. Door een heftige samenloop van omstandigheden en dreigende agressie moest ik het kindje met spoed ophalen. Moeder had mij nog nooit gezien, totaal onwenselijk, dat wist ik. Ze was hier boos over. En terecht.

Zij vroeg mij of ik kinderen had en of ik die ooit mee zou geven aan iemand die ik niet ken. Ik gaf eerlijk toe dat ik mijn jongens nooit aan iemand zou geven die ik niet ken. Ik vroeg haar wat ik kon doen om ervoor te zorgen dat ze mij voldoende vertrouwde om haar dochter toch aan mij mee te geven. Wat deze moeder toen deed was zo dapper. Ze koos ervoor om niet mee te gaan haar dochter weg te brengen. Het deed haar zo zeer maar ze wist dat het voor haar dochter beter was. Het moment dat moeder haar kind zelf in de Maxi-Cosi deed, vond ik enorm indrukwekkend.

Op een feestje zeggen dat je inspecteur bij de IGJ bent resulteert niet altijd in applaus.

Inmiddels zit ik in de rol van inspecteur. Op een feestje zeggen dat je inspecteur bij de IGJ bent resulteert niet altijd in applaus. Ik krijg de vraag of we er als inspectie wel voldoende bovenop zitten en of we wel zicht hebben op wat er in de jeugdzorg allemaal gebeurt? Maar ook mensen die vinden dat de inspectie het doel voorbij schiet en zich niet voor kunnen stellen dat ik er met zoveel plezier werk.

Ook nu kan ik zeggen: Ik weet dat ik er niet voor kan zorgen dat er vanaf morgen passende hulp is voor alle jeugdigen. Of dat we zicht hebben op iedere jeugdhulpaanbieder en dat we alle misstanden boven tafel krijgen. Maar ik weet wel dat ik opnieuw probeer om verschil te maken. Dat ben ik verplicht aan Ricardo en de moeder die mij voldoende vertrouwde om haar kind naar een pleeggezin te mogen brengen.

Daarom ben ik trots wanneer ons toezicht, in welke vorm dan ook, resulteert in verbeteringen die echt ten goede komen aan kinderen die afhankelijk zijn van jeugdhulp.